Toeval is een belangrijk onderdeel van mijn werkwijze. Ik gebruik het om iets te laten ontstaan wat ik zelf niet had kunnen bedenken. Een vlek, een willekeurige lijn, een beeld uit een tijdschrift, een onverwacht geluid op straat of een zijweg die ineens je aandacht trekt.
Daarna begint het echte werk: kijken. Waar blijft je oog aan hangen? Wat herken je? Waar word je nieuwsgierig van? Soms zie je in een vlek ineens een figuur, zoals je in een regenwolk een krokodil kunt herkennen. Je hoeft nog niet te weten waarom. Je volgt eerst het spoor.
Toevalstechnieken in kunst
Ik heb die manier van werken niet zelf uitgevonden. Kunstenaars spelen al heel lang met toeval, automatisme, spelregels en onverwachte ontmoetingen.
Dwalen op papier: de surrealisten
De surrealisten zochten vanaf de jaren 1920 naar manieren om minder bewust te sturen tijdens het maken. André Breton gaf automatisme een centrale plek in het surrealisme: schrijven, tekenen of maken terwijl je de gewone controle van je denkende hoofd zoveel mogelijk loslaat. (The Museum of Modern Art)
Ze bedachten daar allerlei technieken voor. Bij cadavre exquis, of exquisite corpse, tekent of schrijft iedere deelnemer verder zonder precies te zien wat de vorige heeft gemaakt. Zo ontstaat een beeld dat niemand alleen had kunnen bedenken. Bij decalcomania druk je twee met verf bedekte oppervlakken tegen elkaar en kijk je vervolgens welke vormen in de afdruk verschijnen. (The Museum of Modern Art)
Een kunstenaar die me hierin erg inspireert is Ithell Colquhoun. Zij combineerde het surrealisme met een grote belangstelling voor magie en het occulte en experimenteerde haar leven lang met automatische technieken. Ze werkte met decalcomania, fumage en entoptic graphomania en ontwikkelde zelf parsemage: houtskool- of krijtpoeder op water strooien en het patroon met papier van het wateroppervlak opnemen. (ithellcolquhoun.co.uk)
Een paar jaar geleden las ik over haar in Jennifer Higgies The Other Side. Higgie schrijft: “Abstraction isn’t about nothingness; it’s about giving the psyche a shape.” Dat is precies wat me aan Colquhoun raakt. Eerst ontstaat er iets. Daarna ga je kijken wat je erin ziet. Die gedachte trok Colquhoun heel ver door. In 1977 maakte ze Taro as Colour, een compleet tarotdeck van 78 abstracte werken in emailleverf. Daarin verbond ze surrealistische automatische technieken met kleurtheorie en haar kennis van de Golden Dawn. (Tate Online Shop)
Ik herken daar iets in van mijn SchaduwCirkels en mijn toevalstekeningen. Vertragen, een vlek of spoor laten ontstaan, vormen herkennen en daar verder mee werken. Het materiaal doet een voorstel. Ik kijk wat ik ermee wil.
Dwalen door de stad: Dada, Situationisten en Fluxus
Ook wandelen heeft zo’n kunstgeschiedenis. In 1921 organiseerden de Parijse Dadaïsten een excursie naar de kerk Saint-Julien-le-Pauvre. Ze kozen bewust een weinig spectaculaire plek en maakten van een wandeling en een bezoek aan de stad een kunstgebeurtenis. Het dagelijks leven werd materiaal. (Orca)
De Situationist International ging daar in de jaren 1950 veel verder mee. Voor hen ging het niet alleen om anders kijken naar de stad, maar ook om kritiek op hoe het dagelijks leven werd ingericht. Guy Debord en andere Situationisten zagen de kapitalistische stad als een plek die ons gedrag stuurt: we bewegen van huis naar werk, van winkel naar winkel, van bestemming naar bestemming. De stad is ingericht op productie, consumptie en efficiënt bewegen.
Vrolijk verzet!
Daartegenover zetten zij de dérive: een manier van dwalen waarbij je je gewone routes en doelen tijdelijk loslaat en je laat leiden door plekken, sferen en ontmoetingen. Daarbij hoort psychogeografie: onderzoeken hoe een omgeving invloed heeft op je stemming, gedrag en aandacht. Debord benadrukte dat toeval daar wel een rol in speelt, maar dat de stad zelf ook trekt en duwt. Sommige plekken nodigen uit, andere houden je juist tegen.
De dérive was daarmee ook een vorm van verzet. Door niet de meest logische of nuttige route te volgen, oefen je even een andere omgang met tijd en ruimte. De Situationisten wilden het dagelijks leven niet alleen analyseren, maar opnieuw vormgeven. Minder toeschouwer, meer deelnemer. Minder leven volgens opgelegde patronen, meer ruimte voor spel, ontmoeting en eigen ervaring. lees meer over de derive volgens SI
Dat politieke aspect vind ik belangrijk. Het raakt direct aan mijn eigen idee van vrolijk verzet. Ook mijn dwaalwandelingen zijn geen protestmarsen, maar ze maken wel bewust ruimte voor iets wat in een drukke, doelgerichte stad niet vanzelfsprekend is: langzaam lopen, om je heen kijken, je zintuigen gebruiken en even niet zo efficiënt mogelijk van A naar B gaan.
Ook Fluxus speelt met dit principe. Kunstenaars als George Brecht, Yoko Ono en Mieko Shiomi maakten event scores: kleine kaartjes met eenvoudige opdrachten die iemand zelf uitvoert. De kunstenaar geeft een regel, de deelnemer bepaalt wat er vervolgens gebeurt. (The Museum of Modern Art). Dat idee van een kleine opdracht die je blik verandert gebruik ik ook in mijn wandelingen. De opdracht geeft richting. De stad levert de rest.
Een hedendaagse maker die ik interessant vind is Bel Senlle. Zij brengt psychogeografie en tarot bij elkaar en gebruikt de kaarten om anders door straten en landschappen te bewegen en te kijken naar bijvoorbeeld straattekens, vergeten plekken en persoonlijke associaties. De buitenwereld en je eigen binnenwereld lopen zo door elkaar heen. (Belensenlle)
Genoeg houvast voor toeval
Dat is ook hoe ik mijn eigen toevalstechnieken ontwerp. Ik maak een kader waarbinnen iets onverwachts kan gebeuren.
Op papier kan dat een willekeurige lijn zijn, automatisch tekenen, blotto, parsemage of een andere vlekken- en afdruktechniek. In de stad kan het een route, een zintuiglijke opdracht of een eenvoudige wandelregel zijn.
Je krijgt genoeg houvast om te beginnen. Daarna kijk je wat er gebeurt. Wat trekt je aandacht? Wat zie je erin? Welk spoor wil je volgen? Daar begint voor mij het (ver)dwalen.
Zelf proberen?
Lees meer over Dwalen op papier of neem een vraag mee tijdens Dwalen door de stad
