Gedachten

Over rammelende zaaddozen, samen niet-weten en de tweede ruimte. Of: wanneer wordt een wandeling kunst?

Gisteren testte ik voor het eerst een artistieke wandeling die ik zelf had ontwikkeld. En dat vond ik spannender dan verwacht.

Onderweg naar ons vertrekpunt dacht ik vooral aan alles wat ik vergeten was. Iets om op te zitten. Zakjes om vondsten in te bewaren. En was het minizine eigenlijk wel duidelijk genoeg? Als ik meerdere wandelingen ontwerp, hoe ziet iemand dan in één oogopslag welke ze voor zich heeft? We moesten nog beginnen en ik was al aan versie twee toe.

Gelukkig kon ik die opkomende paniek even loslaten. Ik haalde mijn proefpersoon op, we kochten chocomel en chips en zochten een groenige plek in de buurt voor een geïmproviseerde picknick. En we gingen alvast een beetje op zoek naar uitgebloeide planten.

Het idee achter deze wandeling is dat je anders kijkt naar wat bruin, droog en dor is. Want: na de bloei is een plant niet klaar. Er komen zaden. Soms verstopt in een hard bolletje, soms onder pluis, soms in een peul, soms achter stekels. Er blijken heel veel manieren te zijn waarop planten hun zaden verspreiden.

Ik had me op zich redelijk ingelezen, maar eenmaal aan het lopen bleek mijn plantenkennis een stuk minder indrukwekkend dan die voorbereiding suggereerde. We vonden van alles waarvan we geen idee hadden wat het was. We knepen erin, roken eraan, schudden het en braken het open. Bij één hard, rond geval duurde het ongelooflijk lang voordat we binnen waren.

Dat was misschien wel het leukste stuk. Ik had vooraf vooral nagedacht over de opdrachten. Nu merkte ik hoeveel er juist gebeurt in het samen niet-weten. Is dit al rijp? Zitten hier wel zaden in? Waarom ziet dit ding eruit alsof het ieder moment kan ontploffen?

De proefpersoon kreeg de opdracht drie dingen uit het afgelopen jaar te bedenken die ze graag nog eens zou beleven. Daarna verzamelde ze drie verschillende zaaddragers. Met haar ogen dicht voelde ze eraan, besnuffelde ze het en luisterde ze of er iets rammelde.

Eentje rook, en dit is voorlopig mijn favoriete omschrijving: “een heel klein beetje naar zoete natuur.”

Aan ieder gevonden zaadding koppelde ze een herinnering. Verderop in de wandeling liet ze de drie zaaddragers op drie verschillende plekken achter.

Al vrij vroeg in de wandeling, toen ik de stap maakte van planten naar wat er in een mensenleven ondergronds verder kan groeien, zei ze: “Je doet therapeutisch.” Au.

Ik bedoel: er is niets mis met therapie. Maar ik probeer geen wandeltherapie te maken. Ik onderzoek juist hoe een wandeling zelf een artistiek werk kan zijn. Dus au.

In de nabespreking vroeg ik haar er opnieuw naar. Ze wist eerst niet of ze wat we gedaan hadden een kunstwerk zou noemen. “Ik sta eerder in een proces dan in een kunstwerk,” zei ze. Gaandeweg kwam ze erop uit dat dat proces misschien zelf het kunstwerk kon zijn.

Ze begon te beschrijven wat er volgens haar gebeurde. Dat je dat proces heel precies kunt ontwerpen: iemand laten zoeken, voelen, lopen, verzamelen, praten. Zonder vast te leggen wat diegene onderweg moet ontdekken.

Ik denk dat het wel echt een kunstwerk is trouwens,” zei ze uiteindelijk.

(opgeluchte zucht)

De getuige en de tweede ruimte

Mijn proefpersoon gebruikte nog een term die bleef hangen: de tweede ruimte. Er is wat zich in je hoofd afspeelt en er is iets buiten jezelf dat tastbaar is. In dit geval een zaaddoos, een plant, iets harigs waarvan je de naam niet kent. Tijdens het wandelen komen die twee naast elkaar te liggen.

En omdat een ander hetzelfde ding ook kan zien, voelen of erover mee kan praten, blijft het niet alleen iets in je eigen hoofd.

Belangrijk daarbij: die plant hoeft niet ineens symbool te staan voor je jeugdtrauma, je loopbaan of je relatie met je moeder. Een zaaddoos mag ook gewoon een merkwaardig ding zijn dat rammelt.

Misschien zit daar voor mij een belangrijke aanpassing. Ik begon deze test vanuit het idee dat iemand een persoonlijke vraag mee op pad neemt. Nu twijfel ik of die vraag wel aan het begin moet staan. Zodra je met een vraag vertrekt, ga je misschien toch ook antwoorden zoeken. Terwijl juist het kijken zonder vooraf te weten wat het op moet leveren tijdens deze test het interessantste bleek.

Er zijn na één wandeling dus vooral meer vragen: Hoe voorkom ik dat zo’n wandeling te therapeutisch wordt? Hoeveel betekenis geef ik vooraf mee en hoeveel laat ik ontstaan? Moet er überhaupt een vraag mee? En is een zorgvuldig ontworpen proces uberhaupt kunst?

De praktische verbeteringen zijn ondertussen makkelijker: iets om op te zitten. Zakjes. Een opgeladen telefoon. Een multitool. En op het minizine duidelijk aangeven wat voor wandeling iemand in handen heeft.

Genoeg te doen nog. Dat is precies wat dit zo’n interessant proces maakt.

Comments

comments