
Vreemd, zo’n laatste schoolweek – een week dat jij wel op school bent, maar de leerlingen niet. Een week om op te ruimen. Af te ronden. Los te laten. Ook als je daar eigenlijk nog niet zo aan toe bent.
Ik heb me voorgenomen om deze zomervakantie echt vrij te nemen van school. Om ruimte te maken voor iets anders: mijn praktijk als Useful Art Educator verder vorm geven. Lees: een ondernemingsplan te schrijven.
Dat betekent: niks doen aan mijn les-praktijk. Of nou ja: alleen de dingen die ik zelf ook superinteressant vindt, nu. Materiaalonderzoek met name. Oliepastel. Pastelkrijt. Houtskool en grafietstift. Materialen die ik ooit leerde gebruiken, maar die ik sindsdien nauwelijks meer heb aangeraakt. Ik wil ze weer leren kennen, zonder dat er meteen een lesdoel of beoordelingsformulier aan vastzit.
Dat voornemen om HELEMAAL NIKS TE DOEN was niet voor niks zo stellig. Afgelopen jaar was intens. Mijn eerste echte jaar als zij-instromer in het onderwijs. Met een geweldige, maar ook behoorlijk veeleisende baan. Daarnaast de opleiding om mijn lesbevoegdheid te halen. Mijn dochter die, toch nog onverwachts, uit huis ging. Mijn voorgenomen huislijk, en daarbij horend: samenwonen. Veel grote veranderingen – allemaal in één jaar.
Mijn plan voor de laatste schoolweek was simpel. Lokaal opruimen, Powerpoints over kunstgeschiedenis verbeteren en daarna lekker de deur achter me dichttrekken.
Tot ik mijn computer opstartte en een verdwaald leerlingenmapje zag liggen.
De oude valkuil
“Misschien moet ik alle mapjes nog één keer nalopen,” dacht ik. Meteen daarna fluisterschreeuwde een ander stemmetje: “Niet doen! Dat kost veel tijd dan je denkt! Begin gewoon aan die PowerPoints!” Dat stemmetje negeerde ik. Ik zette mijn computer uit, liep naar het berghok, haalde alle leerlingenmapjes op en legde ze op een grote tafel middenin het lokaal. Daar bleef ik vervolgens drie dagen zitten.

Mapje voor mapje spitte ik door. Ik vond opdrachten waarvan ik vergeten was dat ik ze gegeven had. In de berg papieren op mijn kast zocht ik de bijbehorende werkbladen. Ik zag welke opdrachten goed hadden gewerkt, en welke minder. Puzzelstukjes vielen op hun plek.
Bijna vanzelf ontstonden ideeën voor volgend jaar. Andere volgordes. Nieuwe technieken. Verrassende materialen. Ik begon met een verdwaald mapje en hoofd vol lossen eindjes. Ik eindige met twee ordners vol les-plannen en -ideeën, en opgeruimd lokaal en berghok, en iets meer overzicht. En vooral: ik voelde iets wat ik gelopen jaar niet zo vaak gevoeld heb: trots.
Trots op alles wat ik geleerd heb afgelopen jaar.
Want tijdens het jaar was ik vooral bezig met overleven. Ik zag vooral wat nog niet goed gaat. Ik vergeleek mezelf met collega’s die al jaren voor de klas staan. Pas op de allerlaatste dag van school vond ik ruimte om terug te kijken. Zag ik hoeveel ik ongemerkt opgebouwd heb.
Tegelijkertijd zag ik ook hoe makkelijk ik opnieuw in dezelfde valkuil stap. Want zodra die nieuwe les-ideeën er zijn, wil ik ze ook meteen uitwerken. Zodat ik ‘beter kan rusten’.
Dat patroon ken ik inmiddels goed. En gelukkig woon ik inmiddels (bijna) samen met iemand die daar heel anders naar kijkt. Mijn Napolitaanse verloofde scheidt werk en privé moeiteloos. Werk is noodzakelijk, maar definieert niet je leven. Productiever worden? Waarom zou je?
Ik heb jarenlang precies het tegenovergestelde geloofd: als je doet wat je leuk vindt, hoef je nooit een dag in je leven te werken. Voeg daar de overtuiging aan toe dat hard werken de enige manier is om veilig te zijn, en je hebt het recept voor voortdurende overbelasting. In vier decennia vier keer flink overspannen? Geen toeval.
De afgelopen jaren leerde ik langzaam dat het ook anders kan. Dat betekenisvol werk niet hetzelfde is als altijd aan het werk zijn. Dat enthousiasme mooi is, maar geen leidraad hoeft te zijn. En dat goede ideeën niet verdwijnen als ik ze een paar weken laten liggen.
Wat betekent dat? Dat ik die drie dagen de tijd heb genomen om leerlingenmapjes, lokaal en berghok op te ruimen. Dat ik de PowerPoint dus laat zitten. Omdat het nu tijd is om toe te geven aan mijn vermoeidheid. Tijd om te rusten.
Dwalen als onderzoek
Meteen al de eerste dag van de vakantie besprong mij een idee. Ik begon te lezen over wandelen als artistieke praktijk. Over kunst in de openbare ruimte. Over de Situationisten, psychogeografie en de derivé: doelloos dwalen door de stad. Over pleasure activism, rust en nieuwsgierigheid als vorm van verzet. Over kunst die niet begint in een atelier, maar op straat, in ontmoetingen, en in onverwachte omwegen. Over stilstaan en om je heen kijken. Dat alles ga ik zo rustig mogelijk laten ontkiemen.
Mijn zomer is, vanaf dag één, een onderzoek geworden. Ik voel hoe de lijnen langzaam bij elkaar komen. Mijn interesse in werken in de wijk. Mijn fascinatie voor kleine maakvormen. Mijn oefening in Useful Art. Verbeelden, verbinden en veranderen. Door simpelweg te wandelen, te lezen en aan te klooien. Mijn interesses te volgen, kijken waar die me brengen. Welke ideeën blijven hangen. En een ondernemingsplan schrijven waarin dit allemaal logisch samenvalt.
In september begint het gewone leven weer. Dan sta ik weer voor de klas, ga ik afstuderen, start ik een freelance praktijk én woon ik als getrouwde vrouw samen met een Napolitaan die de rust wél weet te bewaren.
